Maas Binnenvaartmuseum Maasbracht
Havenstraat 12, 6051 CR Maasbracht
Home Home Home Nieuws Nieuws Nieuws Over ons Over ons Over ons Rondleidingen Rondleidingen Rondleidingen Openingstijden Openingstijden Openingstijden Contact Contact Contact Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Donateurs en Sponsoren Donateurs en Sponsoren NIEUW Rondvaart door de haven met sluispassage
Terugblik 1 Als ik terugdenk aan het begin van mijn schippersleven in 1970 op mijn eerste schip was het wel heel erg bewerkelijk. Het schip had een laadvermogen van 804 ton, was 68 meter lang en 9,09 meter breed en had toen vier ruimen: twee grote en twee kleine, die werden afgesloten met houten luiken. Van helemaal dicht tot helemaal open waren we met twee man een dik uur bezig. Er moest namelijk een hoop materiaal verwijderd worden alvorens er geladen en gelost kon worden: 16 x 8 = 128 luiken op stapel leggen daar bovenop 8 x 14 = 112 merkels oftewel dwarsscheepse goten waarop de luiken rusten en dan nog eens de 8 langsscheepse scheerstokken (deze waren loei zwaar) uit de ruimen schuiven en dan met twee personen in het gangboord tillen. De motor was een 6 cilinder 2-takt Sulzer motor van 400 pk bij 400 toeren met dwarsspoeling en kruiskop, bouwjaar 1937. Hij had er al heel wat jaren op zitten. Het nieuwe was er nu wel een beetje van af. Omdat ik eigenlijk alleen maar ervaring had met kleinere motoren, zoals een GM en Lister, was zo’n Sulzermotor wel wat anders, met zijn hoogte van 3 meter en lengte inclusief koppeling van 6 meter en zijn zuigers met een doorsnede van zo’n 30 en een hoogte van zo’n 50 centimeter! Het starten was al iets heel anders. Bij de GM hoefde je alleen maar smeerolie en koelwater na te kijken en elektrisch te starten. Maar bij de Sulzer was dat andere koek: te beginnen met smeeroliepeil en water peil nakijken buitenboord kraan open draaien het cilinderolietankje bijvullen en de automaat 10 slagen draaien dagtank voor gasolie bijvullen smeerolie op druk pompen Indicaturs kranen openen om de krukas van de motor een paar slagen op de hand te kunnen tornen na het tornen Indicaturs kranen weer dicht 6 lontjes in de cilinderkoppen draaien de startluchtfles opendraaien motor starten met het starthendel na het starten controleren of de cilinderolie druppelt luchtpomp aanzetten en dan de motor even warmdraaien  Maar onder het varen ging de zorg voor de motor door. Want iedere 3 uur moesten de cilinderolie tank en dieselolie dagtank gecontroleerd en zo nodig bijgevuld worden.Als we een hele dag gevaren hadden en de motor stil kon, was er nog wat nawerk, elke dag zo’n klein uur. Zoals buitenboordkraan dicht draaien, wierbakken oftewel de koelwater inlaatfilters nakijken of ze nog een beetje schoon waren. Aan de motor in - en uitlaatpoorten schoonmaken. In de stuurhut hadden we nog een groot houten stuurrad en stuurlier waarmee we, met overbrengingen van kettingen en assen, het roer op het achterschip  bedienden. En verder in de stuurhut rechtsvoor de regulateur en de koppeling voor de bediening van de motor. Ook was er een hendel voor de misthoorn om seinen te geven voor de manoeuvres die we gingen doen. Tevens was het de bedoeling dat je zelf ook uitluisterde naar andere geluidsseinen van andere schepen. Dat was de tijd van vóór de marifoon, een zogenaamde zendontvanger voor gebruik in de maritieme communicatie over korte afstand. Het hele communiceren met de wal was een hele opdracht. Af en toe lag er  op de sluis of bij de havenmeester een telefoon nummer die je dan moest bellen. Als je geluk had stond er een telefooncel waar je dan met een zak met kwartjes of in België een  zak met frankskes, in Duitsland met marken en zo nog meer kon bellen. Als die telefooncel er niet was  dan moest er een telefoon gezocht worden in de haven op kantoor en dan nederig vragen of je mocht telefoneren. Het kon zijn dat hun het nummer voor je moesten draaien, dan verging de pret wel om deze en gene ook nog even te bellen. Als dat er niet was had je nog altijd het kleine café aan de haven, waar je toch minstens een drankje moest pakken voor je ging telefoneren.Langs de Rijn had je op verschillende plaatsen orderstations die, als je langs voer, je opschreven, tijd en uur en soms  met een luidspreker orders toeriepen. Het varen in die tijd was ook anders. Beladen viel dat nog mee, maar bij leeg schip en harde wind was het varen nog een hele kunst. We hadden namelijk nog geen kopschroef. Sommige schepen hadden een koproer, maar wij hadden alleen een kopanker dat we regelmatig gebruikten bij het aanleggen met het lege schip. Je had toen nog buren die een touwtje (draad) kwamen aan pakken. Ik was daar altijd heel blij mee. Maar dat betekent dat je dat ook bij anderen moest doen. En zo kan ik nog wel effe doorgaan, maar dan in ‘Terugblik 2’.
                
Foto uit boek toekomst en verleden