Maas Binnenvaartmuseum Maasbracht
Havenstraat 12, 6051 CR Maasbracht
Van stukgoed naar Container Door  Dick Zuidhoorn
De camperaars. Door Dick  Zuidhoorn
Op de Josepline van Nefkens Door Nico van Lent
Geschreven door Dick Zuidhoorn: Storm op de Atlantic. Het Maas Binnenvaartmuseum aan de Havenstraat in Maasbracht wordt bemand door vrijwilligers uit de vaart die op toerbeurt de bezoekers ontvangen. Onderling wordt vaak gelachen om de verhalen die ze elkaar vertellen, het ene soms spannender en smeuïger dan het andere, zoals: Het is juli 1970. Het vrachtschip de Neder Lek steekt over van Rotterdam naar het Panama Kanaal. De weersverwachting is niet al te best, er is een Noord Wester storm voorspeld en daar moet het schip met zijn opvarenden dwars doorheen, geen ontkomen aan. Niet dat er direct gevaar dreigt, immers alles staat normaal zeevast, zoals het laad- en losgerei, de lading zowel boven- als onderdeks,  de reservedelen in de machinekamer, de pannen en potten in de kombuis, de tafels en de stoelen in de salon en de messroom, alles maar dan ook álles kan een stootje verdragen. En de meeste opvarenden vinden het wel leuk, zien de storm als een verzetje, maar het mag natuurlijk niet te lang duren,  want dan worden de mannen moe en sjaggerijnig. Ik ben ook aan boord, als leerling werktuigkundige (llwtk) en vind het wel spannend met zo’n storm in aantocht en ben heel benieuwd hoe ik me hier doorheen zal slaan. Na het avondeten begint het steeds harder te waaien, de golven staan dwars op het schip en worden steeds hoger, waardoor we steeds meer beginnen te slingeren. ’s Avonds normaal met mijn collega’s een biertje drinken aan de bar wordt steeds lastiger. Weliswaar staan de barkrukken vast, maar de flesjes en glazen moeten krampachtig worden vast gehouden om te voorkomen dat ze een eigen leven zullen gaan leiden. Tegen bedtijd maakt het schip halen van 35 graden bakboord naar 35 graden stuurboord. Op weg van de bar naar mijn hut moet ik me als een dronkenlap goed vasthouden aan de overal  in de gangen aanwezige leuningen. Om me schrap te kunnen zetten maak ik met mijn voeten niet alleen gebruik van het dek maar ook van de zijwanden. Eenmaal in mijn hut kruip ik in mijn kooi. Deze is dwarsscheeps geplaatst waardoor ik ongeveer iedere tien seconden dan weer met zijn voeten tegen het voeteneinde wordt gedrukt om vervolgens weer met zijn hoofd tegen het hoofdeinde aan te glijden. Dat belooft dus een rusteloos nachtje te worden. Omdat ik de slaap maar niet kan vatten, besluit ik mijn oudere collega de 3 e  wtk op zijn hondenwacht in de machinekamer een poosje te vergezellen. Eerst even opbellen of dat het gelegen komt, dan mijn witte overall aantrekken en ga ik op weg. Vanaf het officierendek is de machinekamer bereikbaar via een deur in de dwarsgang. Daar stap ik dan een voorportaal binnen, verwissel mijn slippers voor de machinekamerschoenen, oftewel vetsloffen, en stap vervolgens in de lawaaige machinekamer, zo’n zeven meter boven het koppenbordes van de hoofdmotor. De smalle machinekamertrap omlaag is langsscheeps, dus moet ik  al knijpend in de leuningen afdalen, behoedzaam om niet door het slingeren van het schip over een leuning te worden gesmeten. De daarop volgende trap is dwarsscheeps, dus moet ik een gunstig moment afwachten om daar langs af te dalen, immers door het slingeren is de trap het ene moment bijna horizontaal, het andere moment rechtop. En zodoende kom ik zonder kleerscheuren aan op de manoeuvreerstand. Mijn collega staat me al op te wachten en moet lachen om mijn capriolen.  “Zo krijg je tenminste zeebenen. Koffie?” gilt hij in mijn oor. Dat gaat er wel in. Zelfs onder deze omstandigheden gaat het leven aan boord gewoon door, dus wordt er ook koffie gezet in de machinekamer. Alles staat immers zeevast. De hoofdmotor van 17.000 PK zwoegt naar lieve lust. Weliswaar blijft het toerental in eerste instantie redelijk stabiel, maar naarmate de zee ruwer wordt komt de schroef steeds vaker geheel of gedeeltelijk boven water, waardoor het toerental van de hoofdmotor onstabiel wordt en zodoende de regulateur bij iedere slingering steeds vaker moet bijregelen: vol brandstof bij de schroef helemaal onder water, weinig brandstof bij de schroef gedeeltelijk boven water. En dat wordt steeds erger, zodat de beide door de uitlaatgassen aangedreven spoelluchtblowers beginnen te blaffen, een akelig jankgeluid dat door merg en been gaat. “Kan het nog erger?” schreeuw ik om boven de herrie uit te komen in het oor van mijn collega. “Oh ja, desnoods beslissen ze boven dat we gaan liggen steken tegen de wind en de golven. Als die kar het maar blijft doen”. Met “kar” wordt de hoofdmotor bedoeld. Gelukkig is dat steken niet nodig en kan het schip al ploeterend haar weg vervolgen. Na een uurtje houd ik het in de machinekamer voor gezien en klim terug naar boven om vervolgens in mijn kooi te duiken. Want om zeven uur zal ik al weer gepord worden voor het ontbijt, om me op tijd in de machinekamer te kunnen melden voor mijn dagdienstwerkzaamheden. Storm of geen storm, het werk gaat gewoon door.