Maas Binnenvaartmuseum Maasbracht
Havenstraat 12, 6051 CR Maasbracht
Home Home Home Nieuws Nieuws Nieuws Over ons Over ons Over ons Rondleidingen Rondleidingen Rondleidingen Openingstijden Openingstijden Openingstijden Contact Contact Contact Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Vrienden v/h museum Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Tjalk “Nooit Volmaakt” Donateurs en Sponsoren Donateurs en Sponsoren NIEUW Rondvaart door de haven met sluispassage
Geschreven door Dick Zuidhoorn: Ooh Zeevaartschool. Het is zomer 1966. Na 5 jaar ‘zwoegen’ ben ik eindelijk geslaagd voor mijn Mulo-A diploma . Mijn volgende opleiding zal zijn op de Zeevaartschool in Vlissingen, scheepswerktuigkunde BM, een basisopleiding van normaal 2 jaar, maar voor mij met slechts Mulo-A als vooropleiding wordt dat via de Schakelklas dus een jaartje méér. Best een pittige opleiding, want zo’n studiehoofd ben ik nou ook weer niet. Vol goede moed begin ik er aan. En ontdek ik al gauw dat zo’n Zeevaartschool iets heel anders is dan een Christelijke Mulo. Je bent de puberteit nauwelijks ontgroeid en wil ook voor vol worden aangezien in je schooluniform. Vele kleine gebeurtenissen staan me nu na 50 jaar nog helder voor de geest. Hier volgt een handjevol: De Zeevaartschool in Vlissingen: officieel ‘Maritiem Instituut de Ruyter’ geheten. Deze herbergt honderden zeevaartscholieren, in de volksmond Blikken genoemd, die allemaal maar één ding willen: naar zee, terwijl eigenlijk niemand beseft waar hij aan begint! De eerstejaars, zoals ik, moeten dan nog wel minstens 3 jaar wachten, de laatstejaars nog 1 jaartje, als ze tenminste slagen. De meeste Blikken zijn in een buitenwijk van Vlissingen gehuisvest in het Internaat bestaande uit een omheind blok van eengezinswoningen met een sporthal (voor de gymnastiek en feesten), een grote keuken met een heuse kok, en een grote binnenplaats, het geheel geleid door een groepje officieren. Wat zich binnen dat internaat allemaal afspeelt weten alleen degenen die daar wonen. Misschien zal één van hen over deze periode later een boek gaan schrijven? Nog niet gezien. Enkelingen zitten niet op het internaat, maar wonen bij familie in de omgeving, zoals ik bij mijn grootouders, in Vlissingen. De docenten zijn over het algemeen ex-zeevarenden, die ons van alles proberen bij te spijkeren, en soms kan er wel eens een mooi verhaal vanaf. Die mannen hebben natuurlijk het één en ander meegemaakt op zee en in de havens. Maar volgens mij durven ze niet alles te vertellen, omdat ze tegenwoordig een keurig walleven leiden.  De peuk: één van onze docenten is de heer Faasse, onderdirecteur van de Zeevaartschool. Een speciaal figuur, klein van stuk met een bulderstem, waar je liever geen ruzie mee krijgt. Roken in de klas is voor de leerlingen verboden, maar voor de docenten dan nog niet. En de heer Faasse is een fervent roker van zware shag. Een paar keer per lesuur draait hij zijn shagje en wel zodanig dat het mondstuk op een puntje uitloopt. Dat zal de Zeeuwse zuinigheid wel zijn, zo weinig mogelijk weggooien natuurlijk. En steeds weer gaat op het laatst de peuk uit, vochtig geworden van het sabbelen. Omdat er nog net genoeg lengte over is voor de laatste trekjes, worden er verwoede pogingen gedaan om de peuk weer aan het branden te krijgen. Daar gebruikt de heer Faasse zijn benzineaansteker voor. Met die vlammenwerper krijgt hij met veel moeite de peuk weer aan de praat, waarbij de onderkant van zijn brilmontuur het zwaar te verduren heeft en er in de loop der jaren aan de linkerkant daarvan een opvallende schroeiplek is ontstaan. Dan maar een nieuwe bril kopen? Geen denken aan! De ballen van de gouverneur: zo hebben we ook les van de heer Kodde, een charismatisch man van middelbare leeftijd, oerdegelijk, uit een zwaar Gereformeerd gezin uit Zoutelande, een dorpje achter de duinen, enkele kilometers verderop. Van hem krijgen we theorieles in motoren en stoommachines. Ondanks zijn keurige afkomst schiet de heer Kodde toch een keer op een leuke manier uit zijn slof. Hij behandelt de centrifugaal regulateur van een stoommachine. Zo’n regulateur is een stoomklep met ronddraaiende kogelvormige gewichten waarmee het toerental van de stoommachine kan worden ingesteld. Regulateur heet in het Engels vertaald ‘governer’. De heer Kodde vraagt ons quasi serieus of wij weten hoe zulke gewichten ook wel genoemd worden. Natúúrlijk weten wij dat niet.   “Wel heren, aan boord worden dit ‘de ballen van de gouverneur’ genoemd.”   “De ballen van de gouverneur?” “ Jazeker,  de  B - A - L - L - E - N  van de gouverneur.” Die meneer Kodde toch! Slaat die even kwink. De hele klas moet er verbaasd om lachen. De bezem: diezelfde meneer Kodde bakt mij een paar weken later een poets. De Zeevaartschool staat in Vlissingen aan de Boulevard Bankert en vanuit ons klassenlokaal kijken wij uit over de Wester Schelde, dromend van de onbekende toekomst op zee, terwijl er af en toe een zeeschip voorbij vaart. Het is prachtig weer, en onze aandacht gaat tevens uit naar de wandelaars waaronder jonge moedertjes achter hun kinderwagens, genietend van het zonnetje en het uitzicht over het water. Wij leerlingen zitten op alfabetische volgorde in de schoolbanken, dus ik zit achteraan, aan het raam, dat bij hoge uitzondering deze keer vanwege het mooie weer open staat. Heerlijk dat frisse zeebriesje door de klas. Totdat ik heel onschuldig een propje papier naar buiten schiet, hetgeen wordt opgemerkt door onze docent, meneer Kodde. Die wordt kwaad, sommeert me het raam te sluiten en me te gaan melden bij de conciërge om voor straf de stoep langs de school te gaan vegen, totale lengte zo’n 100 meter. Dus loop ik met hangende pootjes naar de in zijn eeuwige stofjas gestoken conciërge den Dulk, die me met een brede grijns een straatbezem aanreikt met de opmerking “Klaar afnokken.” Daar sta je dan in je mooie uniform, buiten, voor gek met een bezem in je handen tussen de passerende kinderwagens en de eerste toeristen. Ik heb me nog nooit zo lullig gevoeld en neem me voor om nooit meer een propje papier naar buiten te schieten. Bij de Marine moet je zijn: op een dag zien we vanuit ons klassenlokaal een paar mijnenvegers van de Marine vanaf zee terugvaren naar hun basis in de buitenhaven van Vlissingen. Nu is het zo dat bij de Koopvaardij een beetje de neus wordt opgehaald voor de Marine. Dat kunnen geen echte zeelui zijn. Vooral de onderzeedienst moet het dan ontgelden. Wie kruipt er nou in zo’n gore onderzeeër, die in de thuishaven dagen aan een stuk moet ventileren om te voorkomen dat het komende familiebezoek het loodje legt? Dan toch veel liever de frisse zeewind door je haren? Zoals dat bij de Koopvaardij het geval is. Dus wij zien die mijnenvegers binnenlopen. Zegt de docent: “Jongens, straks gaat het stormen.” Hoe weet hij dat nou? Er is geen vuiltje aan de lucht. “Dat zit er wel in, want de Marine vlucht naar binnen!” Hahaha!!!  Ooh Zeevaartschool:  het lijflied van de zeevaartscholieren oftewel Blikken is niet al te netjes. Als ze in het weekeinde uit de kroeg  terugfietsen naar het internaat, dan galmt het door de stad: ‘Ooh Zeevaartschool, ooh Zeevaartschool Wat ben je diep gezonken! Als ’s morgens vroeg het haantje kraait Dan is er weer een griet genaaid Ooh Zeevaartschool, ooh Zeevaartschool Wat ben je diep gezonken!’ Geen wonder dat ouders hun dierbare dochters zo ver mogelijk van die ruige Blikken proberen weg te houden. Wat meestal niet lukt, want de natuur kun je toch niet bedwingen. En gelukkig zijn die dochters over het algemeen nog goed weggekomen ook, met hun Blikken. Veerdienst Vlissingen-Breskens: zoals gezegd is er onder de Blikken een groep Zeeuwen, die gewoon bij hun familie woont. Redelijk in de buurt dus. Zo heb ik ook een klasgenoot Piet uit het dorpje Breskens, zoon van de plaatselijke smid. ‘Bresjes’ ligt aan de overkant van de Schelde, in Zeeuws Vlaanderen. Bij gebrek aan een vaste oeververbinding moet Piet dus elke schooldag met de pont op en neer, de veerdienst Vlissingen - Breskens , oftewel op z’n Zeeuws ‘De Bresjiese Boait.’ Deze veerdienst wordt onderhouden door de Provinciale Stoombootdiensten, kortweg PSD genoemd. Dan kan het gebeuren dat ‘Piet uut Bresjes’ als enige ten gevolge van mist of storm te laat (of helemaal niet) komt opdagen. Maar als hij dan tóch ondanks de storm de klas binnenstapt, wordt hem altijd gevraagd hoe het op de Schelde was. Het steevaste antwoord is dan: “Unnoap mi wind ennun berg mi woater!”, oftewel in het Algemeen Beschaafd Nederlands: “Een hoop wind en een berg met water.” Maar op z’n Zeeuw Vlaams klinkt het altijd leuker! En maar weer lachen dus. De holpijp: het is examentijd. Op de montageafdeling van de Zeevaartschool is het een drukte van belang: groepjes examenkandidaten, vergezeld door hun docenten, worden door examinatoren aan de tand gevoeld. Zo vraagt een examinator aan één van de kandidaten op wat voor manier hij een flenspakking maakt. Best wel een secuur werkje. Nou, dat weet de jongeman wel. “Je legt de juiste plaatpakking op de werkbank, tekent er de flens op af, slaat er eerst de gaten in en knipt hem vervolgens uit.” is zijn antwoord. Mankeert niets aan. Maar de examinator wil nog meer weten. “Met wát sla jij die gaten er in?” “Met een hamer en een ronde beitel meneer, met een stuk hout er onder.” “Hoe heet zo’n beitel precies?” blijft de examinator doorzeiken. Hulpeloos kijkt de kandidaat naar zijn docent, maar die kijkt toevallig de andere kant op. “Geen idee meneer.” De examinator kijkt de kandidaat meewarig aan, haalt moedeloos zijn schouders op en zegt: “Zoiets heet bij ons een holpijp jongeman.” “Een wát?” “Een holpijp, H - O - L - P - IJ - P!” Waarop de kandidaat, denkend dat hij voor de gek wordt gehouden, in een deuk ligt en van de zenuwen ook nog eens de slappe lach krijgt. Gelukkig grijpt de docent nu in en doet een goed woordje bij de examinator om te voorkomen dat de kandidaat een onvoldoende voor het vak montage krijgt. En wat een holpijp is weten wij nu ook allemaal.
       