De camperaars. Dit verhaal heeft eigenlijk niets direct met binnenvaart of zeevaart (míjn verleden) te maken. Als vrijwilliger van het Maas Binnenvaartmuseum gaan mijn vrouw Riet en ik de laatste jaren regelmatig en meestal langdurig (soms wel een paar maanden of meer) met de camper er op uit. Voorheen met ons bootje, tegenwoordig dus met de camper. Ondanks dat ik varen leuker vind dan auto rijden, hebben we toch maar besloten de boot te verkopen en een camper aan te schaffen. Makkelijk als het hier rot weer is om snel zuidwaarts het mooie weer op te zoeken. Om ons als ex-zeevarenden in te kunnen leven in alle kennis en (sterke?) verhalen over de binnenvaart van mijn museumcollega’s, besluiten we dit keer in een week of zes door Duitsland langs de Rijn en de Moezel  te trekken, kennelijk een deel van het domein van mijn museumcollega’s. Dan weten wij tenminste óók wat bij voorbeeld de Lorelei is, één of andere rots in de Rijn bij Guar, waar de scheepvaart omheen moet. Nou, we hebben de Lorelei gezien en ze hoeven ons daarover (vinden we) niets meer wijs te maken. We hebben óók de scherpste bocht in de Rijn gezien, vanaf een uitkijkpunt bij Boppard, een paar honderd meter boven Vader Rijn. Weliswaar fantastisch om te zien, maar ik kan je vertellen dat Moeder Maas scherpere bochten heeft. Buiten de bezienswaardigheden die je op zo’n camperreis tegen komt, zijn er ook de vele camperplaatsen, die je aan de hand van speciale boeken en met de satelliet navigatie moet weten te vinden. En op die camperplaatsen kun je vele mensen van allerlei nationaliteiten en pluimage ontmoeten. Als je, zoals wij, altijd voorzichtig toenadering zoekt tot de directe buren op zo’n camperplaats, dan loop je de kans, maar niet altijd, er een gezellig samenzijn van te maken. Zo maken we dan kennis met leuke Engelsen, Nederlanders, Belgen en zelfs Duitsers, allemaal met hun eigen verhaal. En wij met het onze natuurlijk. We staan in Rees, een alleraardigst stadje aan de Rijn. Op de camperplaats staat ook een bijzonder ouder stel camperaars. Hij komt ons bij voorbeeld vragen hoeveel zo’n plekje wel niet kost, ze streven er immers naar om altijd gratis te staan. Maar hier moet je betalen, daar ontkom je niet aan. Dus gaat hij overleggen met zijn baas, een recht voor zijn raap Amsterdamse, voorzien van een paar flinke bossen hout voor de deur. Het stel besluit te blijven en zodoende komen we ook met haar aan de praat en vernemen we dat hij vroeger een zwak had voor grote tieten en dat hij haar toen maar had genomen. Nou ja zeg, een ‘beetje’ grof gebekt is ze wel. Maar verder steekt er kennelijk geen kwaad in madame. Omdat we weten dat de Amsterdamse met haar vlam verder zal vertrekken, gaan we de volgende dag afscheid van de tortelduifjes nemen. Zoals gewoonlijk zit zij breeduit in de deuropening van de camper en geeft ons een hand. Op onze vraag waar haar man is, wijst ze laconiek met haar duim over haar schouder naar de wc-deur achter haar en zegt onbeschaamd: “Joop zit te schijten”. Zo’n taalgebruik zal wel wennen, maar wij hebben er vooralsnog grote moeite mee. Achteraf wel leuk om op te schrijven. En Joop? Die hebben we maar in zijn waarde gelaten en zijn wij zonder afscheid van hem te nemen gaan wandelen langs de Rijn.   Dan een Fries ouder stel van 70-plus zullen we maar zeggen. We staan aan de Moezel in het wijndorp Ürzig, een paar meter van de waterkant, zo’n 10 kilometer stroomafwaarts van Traben-Trarbach (een naam om over te struikelen, wie verzint zoiets?) Onze naaste Duitse buren vertrekken, zodat hun buren nu onze buren worden, met een Nederlands kenteken. Dus goed verstaanbaar zul je zeggen. Maar het blijken Friezen, een ouder stel, met zo’n grappig Fries accent, wat blijkt als Riet met haar aan de praat raakt. Even later komt hij er bij staan, een grijze langharige baardaap, en aan zijn praten te horen zonder